OVER Mondo Leone / Leon Giesen
DOOR Guus Benders
BUUN
13 november 2006
Leon Giesen en de kunst om iets echt heel goed en simpel te zeggen
"Mondo Leone is een uitlaatklep; een vrijplaats. Het is een vorm van verwondering over situaties, veraf of dichtbij. Verwondering die nooit lijkt te stoppen."
Met Leon Giesen zit je graag een avond op het terras, hij vertelt volop; het is een spreekbuis. Dit wordt de vierde keer dat we elkaar spreken in een paar jaar tijd. Dit keer in Rotterdam op de Parade. Hier treedt hij vanavond op onder de noemer van een Greatest Hits-show die is samengesteld uit onderdelen van voorbije theatershows. De Parade is een reizend theaterfestival met tal van tentjes met allemaal hun eigen programma. Iedere artiest of groep die optreedt op het festival moet zelf als boniseur van zijn eigen winkel optreden; “parade maken” op het festivalterrein om publiek naar binnen te lokken. Maar dat kan blijkbaar nog even wachten deze middag, want Leon Giesen zit rustig aan een biertje bij een van de dranktentjes op het terrein.
Het is lastig om mensen uit te leggen wat Mondo Leone precies is. De combinatie van filmpjes en muziek moet je eigenlijk een keer gezien hebben om te snappen wat het is en om te begrijpen waarom het concept redelijk uniek is. Muzikanten die beelden gebruiken bij een live-performance zijn er immers legio, een project waarbij beide elementen versmelten tot een synergetisch geheel is echter uitzonderlijk. Toch is dat het basiskenmerk van Mondo Leone. Leon Giesen heeft het voordeel dat hij zowel beeld als muziek zelf maakt. Als de twee elementen in overeenstemming zijn, spannen ze samen; een geval van een plus een is drie. Op een scherm geprojecteerde filmpjes worden in Mondo Leone live voorzien van een muzikale soundtrack. Giesen speelt bas of gitaar en zingt erbij. Het is een eenmansshow, al wordt hij op twee aparte schermen regelmatig geflankeerd door gastmusici op gitaar en drums. Soms vervult Giesen de gastrollen zelf, is hij zijn eigen begeleidingsband. Dan is hij in drie verschillende gedaantes tegelijk te zien: live en tweemaal op scherm. De afgelopen jaren verscheen een aantal van zijn liedjes ook op cd. Een bijgeleverde dvd toonde bovendien een selectie van de filmpjes uit de Mondo Leone-theatertour. De dvd is eigenlijk niet de meest geschikte manier om Mondo Leone aan de man te brengen, vindt hij. ‘Als je naar mij komt kijken, ben ik het verbindende element en dat ontbreekt op de dvd. Het wordt dan een verzameling filmpjes die je pas snapt als je me een keer gezien hebt. Als je ze los ziet, denk je: “wat heeft dat in godsnaam met elkaar te maken?” Ik zoek nog naar een andere vorm, maar die heb ik nog niet gevonden.’
Giesens meest recente wapenfeit is een verzameling van losse liedjes waarbij de filmpjes compleet zijn verdwenen. De nieuweling verscheen onder de heldere titel Nieuwe Liedjes. De release moet overigens niet worden gezien als een nieuwe stap, maar meer als een tussenproduct. Leon Giesen: ‘Mondo Leone is een levend ding, ik denk niet in vastomlijnde plannen. Ik ben met verschillende dingen bezig en wat er uiteindelijk over blijft is voor mij allemaal hetzelfde, of dat nu liedjes, filmpjes of een tekening is. Ik houd heel veel van film en ik houd heel veel van muziek en ik houd er nog meer van als het samenkomt, maar deze liedjes waren er ineens. Op het moment dat je film en muziek gaat combineren dan moet je dat heel erg in balans houden, vind ik. De muziek kan zich dan veel minder permitteren. Het is erg leuk om ook gewoon een leuk melodietje te bedenken zonder verder ergens rekening mee te hoeven houden.’
Liefde voor muziek is niet iets wat Giesen van huis uit heeft meegekregen. Zijn ouders vonden dat de makkelijk lerende Giesen zijn aandacht beter bij school kon houden, vooral zijn vader. ‘Hij houdt wel van gedichten, maar met muziek heeft hij helemaal niets. Eigenlijk de hele familie niet. Mijn neef Peter Giesen vertelde een keer een verhaal over zijn vader, een broer van mijn vader dus. Hij had twee platen gekregen van iemand en die draaide hij altijd op feestjes. Hij kwam er echter pas na een paar jaar achter dat hij die platen op het verkeerde toerental draaide!’ lacht Giesen. ‘En ik wil niet beweren dat mijn vader precies zo is, maar hij heeft er gewoon niets mee; hij fluit ook altijd maar één liedje. In die zin is het niet gestimuleerd. Muziek is iets wat tegelijk kwam met de hormonen rond de zestien jaar. Dan ga je dingen luisteren en dan denk je: dat wil ik zelf ook!’
Na een eerste poging tot een bandje in Venlo samen met Michiel van de Grinten (nu bekend als zanger van Minsekinder) kwam de muziekcarričre van Giesen op gang in Wageningen, de stad waar hij studeerde aan de Landbouwhogeschool. Daar speelde hij in een Nederlandstalig bandje, Oorkussen. ‘We repeteerden altijd in een café in Wageningen en Joost Witte, de drummer van Toontje Lager, boekte de bandjes in dat café. Later ben ik dat ook gaan doen, samen met hem. Op een gegeven moment stapte de gitarist uit de band, bovendien werd hun bassist eruit gezet. Ze zochten eerst een nieuwe bassist en hij belde me op om auditie te doen. Hij had ons een paar keer zien spelen. Zo is het eigenlijk gegaan. Toen heb ik direct mijn moeder gebeld en ik zei: “Je raadt nooit wie me gevraagd heeft om auditie te doen!” Mam riep: “Doe Maar!” En ikke: “Nee, Toontje Lager…” Na een tweede auditie ben ik het geworden.’
De uitverkiezing voor Toontje Lager, op dat moment op de top van hun roem, was voor Giesen vooral een geschikte aanleiding om te stoppen met studeren. ‘Ik wilde al veel langer stoppen, ik was landschapsarchitectuur gaan studeren maar wist helemaal niet wat ik wilde. Ik koos die studie omdat een vriend van me dat ook ging doen. Twee zelfs, maar eentje stopte al heel erg snel. En het leek me ook wel wat, het was een heel brede studie. Ik heb eigenlijk een enorme draai gemaakt. Eerst deed ik Gymnasium B en wiskunde 2 was mijn beste vak. Nu zit ik compleet aan de andere kant; ik heb een soort van slinger gemaakt.’ Giesen: ‘We moesten een keer een park ontwerpen voor landschapsarchitectuur. Ik had een tekening gemaakt en toen ik ernaar zat te kijken en dacht ik: als allemaal die groene ballen die ik nu getekend heb van beton waren dan zou ik het net zo mooi hebben gevonden. Dat was de bevestiging dat ik er niets mee had. Als je mijn tuin nu ziet, zie je ook dat aan mij geen grote landschapsarchitect verloren is gegaan. De motor kan er staan en daar is het verder wel mee gezegd. Later, toen ik na Toontje Lager de kunstacademie ging doen, werd ik pas fanatiek. Toen had ik pas echt het gevoel dat alles klopte.’
Toontje Lager had net twee gouden platen op haar naam staan, toen Giesen in de band kwam. Dat was in 1983. Giesen herinnert zich uit die begintijd vooral een gevoel van vrijheid. ‘We gingen bijvoorbeeld op maandag- of dinsdagmorgen repeteren om 11 uur. Dat gaf me een enorm spijbelgevoel; het idee dat dat eigenlijk niet kon. Ik kon daar enorm van genieten.’ Dat hij in werkelijkheid niet helemaal paste binnen de hitgroep had hij al redelijk snel door. Vanwege het succes lag er een enorme druk op de band. ‘Later heb ik een dagboek gevonden uit die tijd. Ik was eigenlijk niet helemaal op mijn plaats daar en dat wist ik na een half jaar ook wel. Ik dacht: zo lang ik iets kan leren blijf ik zitten. En het was een zeer waardevolle ervaring om de wereld op de kop te zien met alle vervelende kanten van dien. Een half jaar daarna zei Bert (Hermelink, die alle teksten schreef, GB) dat hij wilde stoppen met de band en toen hebben we de staande concerten nog afgemaakt en daarna was het afgelopen.’ Met die ervaring op zak stond Giesen op straat. Hij zat een tijdje werkloos thuis toen hij besloot om de kunstacademie te gaan volgen. Daar is het fundament voor Mondo Leone gelegd. ‘Ik ben begonnen met dingetjes in elkaar te kloten, en dat bleek heel erg leuk, het leukste van alles.’
Leon Giesen is altijd iemand geweest met ambitie. Iemand die graag voorop gaat in het gedrang ook. Giesen: ‘Als ik langs de kant sta, ga ik me vervelen.’ Giesen groeide op in Hout-Blerick, maar met het dorpse karakter heeft hij nooit echt veel opgehad. Hij viel er een beetje buiten de boot voelde zich al vanaf de middelbare schooltijd op het Thomascollege veel meer een Venlonaar. Ondanks dat hij nu al jaren in Utrecht woont en werkt, blijft hij in zijn hart Venlonaar. Maar zijn relatie met de stad Venlo is ambigue. ‘Ik vind het heel erg leuk om er te zijn met het Zomerparkfeest, met vastelaovend en gewoon zo af en toe, maar verder… Ik mis ambitie in de stad; het lijkt niet echt ergens heen te gaan. Neem bijvoorbeeld het feit dat er nu geen bioscoop meer is, zoiets vind ik echt onvoorstelbaar. Er is wel heel veel talent in de stad, maar persoonlijk hou ik meer van een hoger energieniveau.’
Giesen heeft een haat-liefde-verhouding met de stad die hij ook bezingt op zijn laatste cd in het nummer V.V.V.. Geen nummer over de voetbalclub, maar over het Venlose dialect; het Volle Vette Venloos, waar Giesen zo van kan genieten. Het dialect dat hij ook nog spreekt tegen zijn vrouw en zijn kinderen, al praten die laatste terug ‘met een keiharde g.’ Het dialect geeft hem heimwee als hij het hoort, zo zingt hij. Niet naar de prachtig mooie stad zoals die al vaak is bezongen in de Venlose liedjescultuur, maar juist naar een “lelijke stad die te dromen ligt aan de Maas”; in een slaaptoestand dus. Giesen heeft geen romantisch beeld bij de stad, maar sluit eerder aan bij de realiteit die iedere Venlonaar wel eens ervaren heeft als hij met de trein de stad binnenrijdt; Venlo heeft nu eenmaal geen imposante skyline met veel historisch verantwoorde gebouwen of moderne architectonische pracht. ‘Een nummer dat de schoonheid van Venlo bezingt zou ik ook nooit kunnen maken. Ik kom er graag, maar ga er ook graag weer weg.’
Toch heeft Venlo op bepaalde vlakken zeker een streepje voor meent Giesen. ‘Laatst was het een beetje misgegaan op de verjaardag van mijn schoonmoeder. We hadden woorden gekregen; een stom misverstand, maar we zijn toen eerder weggegaan. We misten echter de trein en zijn toen bij Take Five op het terras beland. De ene bekende na de andere kwam erbij en dat was echt ontzettend leuk! Van dat soort dingen houd ik heel erg. In Venlo weet je gewoon dat een bepaald soort mensen altijd te vinden is op een bepaalde plek. Dat heb je in Amsterdam volgens mij ook, maar in Utrecht dus helemaal niet. Ik kom in Amsterdam en Venlo dus altijd meer mensen tegen als ik uit ben dan in Utrecht. Dat vind ik ontzettend grappig.’
Giesen mijmert er af en toe wel eens over hoe het zou zijn om wel hier te wonen, al is het maar voor even. ‘Zeker nu onze ouders ouder worden. Mijn schoonvader is inmiddels dood, maar ik zou het ook fijn vinden om wat dichter in de buurt te zitten. Ineens komt dat op een andere manier terug. Nu moet ik eerst anderhalf uur rijden; je kunt niet gewoon even koffie komen drinken. En ik zie mezelf niet teruggaan, maar toch. Utrecht is gewoon een veel betere omgeving voor wat ik doe. Dat is eigenlijk ook de reden dat ik ooit vertrokken ben.’ Venlo werkt voor hem dus te beperkend, benauwend misschien zelfs. Giesen: ‘ Toen we op een gegeven moment met Romeo begonnen, Michiel en ik, ging het over in het Venloos zingen en toen heb ik gezegd: ik houd ervan om in het Venloos te zingen en om in het Venloos dingen te maken, maar als dat inhoudt dat we alleen maar in Venlo kunnen spelen, dan doe ik het niet. Ik woon in Utrecht en ik wil muziek maken voor de mensen om me heen. En voor mij heeft het anders alleen maar te maken met sentiment en dat wil ik niet.’
Met Mondo Leone heeft hij inmiddels ondervonden dat Nederlands de ideale taal is. ‘Ik probeer met de dingen die ik maak vaak de essentie te vinden van iets en iets echt heel goed en simpel te zeggen en dat kan ik gewoon niet zo goed in het Engels. Ik houd heel veel van Venloos, maar ik merk wel dat Nederlands zich heel goed leent voor de dingen die ik wil zeggen. Venloos is vaak dikker, minder zakelijk, terwijl ik juist dat zakelijke en droge van Nederlands heel erg prettig vind. Ik ben daar van gaan houden; van het droge, het harde, het hakkelende van Nederlands. Venloos swingt veel meer, zingt veel meer. Maar als het gaat over hoe je een ei kunt pellen, dan gaat het veel beter in het Nederlands; dat vind ik grappiger.’ Of dat ook te maken heeft met het feit dat je dan misschien meer afstand kunt nemen tot het eindproduct, kan Giesen niet met zekerheid zeggen. ‘Venloos is wel heel dichtbij, maar ik heb gemerkt dat dat wel veranderd is. Bij het snel tellen in jezelf bij de supermarkt betrapte ik mezelf op een gegeven moment, ik dacht: verdomme ik tel Nederlands. Dan ben je dat punt voorbij. Ik spreek heel erg veel Nederlands en veel mensen die mij dierbaar zijn spreken ook alleen Nederlands. Ik merk dat ik ook verhollandst ben. Ook in mijn relatie met Jack Poels (met wie Leon in 2004 samen een cd maakte, GB) die dat dus helemaal niet heeft.’
De liedjes van Mondo Leone zijn bewust klein gehouden; minimale instrumentatie staat in dienst van de iele spreekzang van Giesen die op openhartige wijze verhaalt over het leven zelf. Hij is een meester in het schetsen van situaties en thema’s die uitblinken in herkenbaarheid. Zo beschrijft hij de zinloosheid van een avondje zappen voor de tv (Zinloze Liefde), het onbekommerde wereldbeeld van een kind (Autorijden met mijn Zoontje), de gekunsteldheid van porno (O Yeah!), het gebrek aan originele ideeën dat een mens voort kan brengen (Het ei van Leon), maar ook de wereld na 11 september (Manhattan Blauw). Het zijn stuk voor stuk miniatuurtjes gekenmerkt door openhartigheid, ogenschijnlijke eenvoud en eerlijkheid. Toch zijn het geen kleine verhaaltjes. Giesen: ‘Nee. Heel veel mensen zeggen dat, maar ik vind dat zelf niet. Ik probeer aan de hand van kleine dingen verhalen vertellen, of dingen te vangen; er iets van te maken. Ik merk ook dat ik daar iets aan heb, ik amuseer me er zelf mee en ik snap dingen beter daardoor. Maken is ook verwerken en dat is fijn; het wordt hanteerbaarder daardoor.’
Giesen spaart zichzelf en zijn omgeving niet. Soms komen onderwerpen daardoor erg dichtbij. Zo maakte hij zijn manisch depressieve schoonvader, die letterlijk doodongelukkig was vanwege verkeerde medicatie al eens tot onderwerp. Mondo Leone is een uitlaatklep; een vrijplaats. Het is een vorm van verwondering over situaties, veraf of dichtbij. Verwondering die nooit lijkt te stoppen. ‘Dingen kunnen mij wel heel erg bezig houden, of dwars zitten, maar ik heb wel iets gevonden waardoor ik het kwijt kan. Gelukkig kan ik ook wel heel graag lachen over mezelf hoor. Ik zie mezelf als een voorbeeld van een mens, een casestudy. We zijn allemaal maar gevangen in een lijf en iedereen probeert daar chocola van te maken. Dat heeft wel iets komisch.’
Terug naar de Parade in Rotterdam. Giesen loopt losjes door het publiek met een handvol flyers. De Rotterdamse Parade is niet zijn favoriet. Mondo Leone staat er niet in een tent zoals andere voorstellingen, maar is geprogrammeerd in het auditorium van het Nederlands Architectuur Instituut aan de achterkant van het terrein, afgesloten van alle drukte. Dat betekent in praktijk dus minder bekijks en minder gezelligheid. Toch heeft Giesen niet te klagen. Veel van de mensen die hij aanspreekt hebben al kaartjes voor zijn show. Dat komt mede door de top-vijf klassering die Mondo Leone inneemt in de publiekspoll van het festival; de show verkoopt zichzelf. De verschillende voorstellingen worden dan ook druk bezocht. De Greatest Hits die staan aangekondigd, bestaan in praktijk uit de nummers waar Giesen op dat moment de meeste zin in heeft; er is geen vaste setlist of vooropgezet plan. Het geeft de shows een prettig anarchistische inslag. Wel speelt hij trots het nummer Naakt en Kaal dat gaat over de vervreemding die ons treft als we onszelf terugzien op film of horen op het antwoordapparaat. Het nummer werd verstript door de bekende illustrator Joost Swarte in het kader van een project, Strips in Stereo, waarbij striptekenaars hun favoriete liedje konden uitzoeken om te verstrippen. Swarte koos dus uit de overweldigende voorraad Nederlandse liedjes het zijne. Ter vervolmaking van het project speelden de verschillende artiesten het nummer dat was uitgekozen live, voor een vol Paradiso met de beelden van de strip op de achtergrond. ‘Bijna iedereen die verstript was, was daar: Boudewijn de Groot, Henny Vrienten, Benny Jolink, Peter Koelewijn. De grote jongens dus, en daar sta ik dan tussen! Jezus man, in een uitverkocht Paradiso. Toen was ik aan de beurt. Het liedje begint en ik val, pats op het verkeerde moment, in op mijn eigen liedje! Dat gebeurt me anders nooit! Toen ben ik gestopt en opnieuw begonnen en dat ging uiteindelijk heel goed. Voor mij is het echter een enorme overwinning om overeind te blijven in dat veld. Gewoon op mijn eigen manier met mijn eigen liedje. Punt uit. Wie me dat van tevoren had gezegd, had ik nooit geloofd. Dit had ik niet kunnen bedenken.’






