OVER Mondo Leone Dagboek
DOOR Willem Nijssen
PZC / Nader beschouwd
19 februari 2008
Ineens is niets meer onbeduidend
"En plots krijgt een geranium de allure van orchidee"
Midden in een lied dacht ik ineens: “Nee, hij is tóch niet de enige die dit zo kan”. Tot op dat moment had ik dat idee namelijk wel, dat alleen Leon Giesen op die speciale manier naar de hem omringende wereld kan kijken. Maar je vindt dat bijvoorbeeld ook in ‘Man bijt hond’, in ieder geval in de Belgische variant ervan (de oer-vorm), die ik meestal bekijk. Bijvoorbeeld in ‘wordt vervolgd’, waarin zomaar iemand met zijn eigen kleine leventje plotseling in het middelpunt staat. Dat zijn altijd onbeduidende levens, gevuld met onbeduidende zaken, maar door de manier waarop het in beeld wordt gebracht, is niets meer onbeduidend. Noem het respect, liefde, aandacht, waarmee de camera kijkt. En plots krijgt een geranium de allure van orchidee.
Leon Giesen noemt zichzelf filmmaker, muzikant en verhalenverteller. En liefst alledrie tegelijk. Wat hij laat zien en horen noemt hij ‘zijn wereld’, oftewel Mondo Leone. Omringd door drie schermen, waarop hij tekeningen, foto’s en filmpjes projecteert, zingt hij liedjes en vertelt hij verhalen. Bijvoorbeeld over zijn buurvrouw Dini, die bij hem aanklopt met een zorgelijk verhaal. Een vreemde man is aan haar deur geweest, heeft het adres van haar zuster gevraagd en ook wanneer zijzelf wel eens van huis is. Achteraf weet ze wel, dat ze geen antwoord had moeten geven, maar ja... En dus biedt Leon aan, om op het uur dat ze zorgeloos uit haar mond had laten vallen, op haar huisje te passen. Hij neemt zijn vriend mee, ze besluiten de dief te filmen. En zo glijdt de camera over het handdoekenrekje, de kamerplantjes, het wandtegeltje met een spreuk, een andere met foto’s van Kennedy (John F.), Luther King en een derde die ik zo snel niet kon identificeren. Zo doods en dodelijk burgelijk, maar zo liefdevol ‘aangeraakt’ dat het oude mensje bijna lijfelijk uit haar nette kamer de zaal instapt en je even dierbaar wordt als een oma met altijd gevuld snoepdoosje. Terwijl hij vertelt en de camera voortglijdt, speelt hij op de gitaar een riedel, die onder spannende passages thuishoort. Tot aan de anticlimax. De dief is nooit gekomen. Eind goed, al goed. Maar niet voor wie nóg beter kijkt. Die concludeert: spijtig genoeg. Want nu wacht Dini nog altijd op het noodlot.
Ja natuurlijk, denk je dan. Maar zelf had je dat nooit bedacht. En had je nooit dat levensgrote portret van Jimi Hendrix ontdekt op dat schuurtje in de velden tussen Utrecht en Den Bosch. En was je al helemaal nooit op zoek gegaan naar de boer achter dat schuurtje. En had je niet het groepje jongeren ontdekt, dat eenmaal per jaar ’s nachts bij zaklantaarnlicht dat verwerende portret weer opfrist. En had je dan weer nooit een mondoleone-feest georganiseerd, waarop die boer dan de 1000 feestelingen trakteerde op een sappige peer met een Hendrix-plaatje.
Het is onbeduidend. Zoals het ook onbeduidend is om de derde man op de maan te zijn. Charles ‘Pete’Conrad heette die man, die wist dat hij in de inktzwarte schaduw stond van Neil Armstrong. Hij had een mooie lijfspreuk: If you can’t be good, be colourful. In zo’n man is Giesen dan ‘bijna pathologisch’ geďnteresseerd, hij reist er zelfs voor naar Houston. Om te ontdekken, dat alle overleden astronauten er een boom krijgen, die ’s nachts een verlichte stam heeft. Helder wit, behalve die éne, die gekleurde lampjes heeft.
Giesen zingt niet sterk, speelt niet echt goed, heeft nauwelijks theateruitstraling, kan niet eens (hij bekent het zelf) een open doekje komen halen. Maar hij is ontwapenend. En hij laat je heel anders kijken naar de wereld. En toevallig is dat wél een van de doelen van theater.






