OVER Mondo Leone
DOOR Peter Bartlema
Heaven
10 juni 2008

Mondo Leone: De ontdekkingsreis van Leon Giesen
"Ik ben net als alle anderen. Alleen kijk ik misschien net iets anders tegen de dingen aan"

Een publieksfavoriet die moeilijk in een hokje te plaatsen is. Zelf noemt Leon Giesen zich muzikant, filmmaker en verhalenverteller. Misschien dat de benaming ‘explicateur’ zijn in woord, beeld en klank omgezette ontdekkingsreis door de wondere wereld nog het dichtst benadert. “Ik heb het over dingen die door mijn hoofd spoken. Door er een liedje of filmpje over te maken kun je die benoemen en wegzetten. Dan ben je er vanaf.”

Hout-Blerick moet een vruchtbare grond zijn voor onderzoekende types. Niet alleen komt futuroloog/ruimtevaartdeskundige in ruste Chriet Titulaer er oorspronkelijk vandaan, ook Giesen, met geboortejaar 1962, zette in het noord-Limburgse plaatsje onder de rook van Venlo zijn eerste stapjes. “Ik herinner me dat mijn ouders zeiden dat ik maar eens buiten moest gaan spelen. Ik speelde dus vooral binnen, met trein en bouwpakketten, dat soort dingen.”

Hij had een fijne jeugd in Hout-Blerick, zegt Giesen, maar voelde zich toch meer verbonden met Venlo. “Uit het hele dorp gingen in mijn jaar misschien drie mensen naar het VWO. Ik werd uitgemaakt voor ‘professor’. Ik kon goed leren, dat is genoeg reden om iemand te pesten. Met mensen uit het dorp trok ik dus niet zoveel op. Ik was vooral een brave leerling. Dat veranderde toen ik ging studeren in Wageningen.”

Muziek
Daar begon hij begin jaren tachtig aan een studie tuin- en landschapsarchitectuur. “Ik heb getwijfeld over Japans, ben zelfs bij scheikunde wezen kijken, ik wist het gewoon niet. Ik wilde graag muziek maken.” Het conservatorium was echter geen optie. “Zeker toen kwam daar een verkeerd soort muzikanten vanaf: van die mensen die notendiarree hebben. Ik heb altijd van simpele dingen gehouden. Op het conservatorium leer je die niet.”

In zijn tienerjaren had Giesen niettemin een tijdje les op de basgitaar en werd daarbij gestimuleerd vooral zelf dingen uit te zoeken. “Het plezier van de ontdekking vind ik enorm groot. Ieder kwartje dat bij jezelf valt is veel meer waard dan alle kwartjes die erin geduwd worden.”

In Wageningen sloeg hij ‘zoals veel gymnasiasten’ los. Met een paar studievrienden richtte de Limburger een Nederlandstalig bandje op. Langzamerhand begon de studie er bij in te schieten. Een uitnodiging om auditie te komen doen bij het eveneens vanuit Wageningen opererende Toontje Lager moet dan ook als een geschenk uit de hemel gekomen zijn. “Ik belde mijn ouders, kreeg mijn moeder aan de telefoon en zei: ‘Je raadt nooit wie mij gevraagd heeft om auditie te doen’. Waarop mijn moeder antwoordde: ‘Doe Maar’.

Dankzij Henny Vrienten en consorten vierde pop in de moerstaal begin jaren tachtig hoogtij. Met hits als ‘Stiekem Gedanst’ en ‘Zoveel Te Doen’ was ook Toontje Lager een publiekstrekker. Dus werden de zaken professioneel aangepakt, met repetities op tijdstippen waarop anderen in de collegebanken zaten. “Je kreeg een enorm spijbelgevoel: heel bijzonder en waardevol. Maar ook de wereld op zijn kop: mensen gaan anders tegen je doen en je merkt hoe dat werkt, dat enigszins beroemd zijn.” Anonieme telefoontjes, lullige opmerkingen in de kroeg, geroddel, druk om hits te scoren, ze gingen samen met het spelen in een succesvolle band, ondervond Giesen.

“Ik weet nog dat mijn naam gescandeerd werd bij mijn eerste optreden, maar net zo snel waren ze hem ook weer vergeten,” schetst hij de betrekkelijkheid van het succes. Als ‘jongste bediende’ had Giesen bovendien niet veel in te brengen: “Had ik een mooie baspartij gemaakt, werd ‘ie overgenomen door een synthesizer of weggestemd wegens te dominant. Toen ben ik met vrienden een straatbandje begonnen, omdat ik wilde weten wat ik waard ben.”

Van de contacten met andere succesvolle bands uit die periode herinnert Giesen zich dat er tussen Het Goede Doel en Toontje Lager ‘enige animositeit’ was. “En Doe Maar was van een andere orde. Veel van hun liedjes hebben de tand des tijds doorstaan. Die van Toontje Lager niet, drie of vier misschien, Die combinatie van Ernst Jansz en Henny Vrienten werkte heel goed. Voor mij zijn ze de Nederlandse Beatles.”
“Ik zou het niet doen”, zegt hij als de reünieoptredens van Doe Maar ter sprake komen. “Ook al omdat ik vind dat de dingen die ik zelf maak over het hier en nu gaan en daar ook voor bestemd zijn.”

Toontje Lager bestond officieel tot 1986. Daarna kwamen de ex-groepsleden een paar keer bij elkaar voor gelegenheidsoptredens, onder meer in 2001 voor De Vrienden van Amstel Live. Aan die optredens in een vol Ahoy in Rotterdam verbond Giesen, evenals bandleider/toetsenist Bert Hermelink, de voorwaarde dat er geen verdere verplichtingen zoals een nieuwe cd uit zouden voortvloeien. Een poging van zanger Erik Mesie in 2006 om met gasten de Toontje Lager-nummers met behulp van de originele studiobanden nieuw leven in te blazen, leidde tot juridische stappen richting platenmaatschappij en een brouille tussen Mesie en Giesen. “Toontje Lager was een band. Die liedjes zijn collectief gemaakt en niet alleen door hem. Zonder toestemming van de maker mag je een deel van een kunstwerk niet uit zijn verband halen.”

Film
“Voor mij was dat echt de spijker op zijn kop,” omschrijft hij zijn stap naar de Kunstacademie in Utrecht. “Leuke leraren en voor het eerst in mijn leven werd ik fanatiek. Zo begon ik ook met eigen filmpjes.”

Eén zo’n filmpje haalde het Nederlands Film Festival. Vervolgens benaderde Giesen omroepen. In 1991 leidde dat tot ‘Sterren van de Hemel’, een serie muziekprogramma’s voor de VPRO jeugdtelevisie.

Zelf muziek maken deed hij ook nog: in de mede door hem opgerichte Venlose dialectgroep Romeo en in Captain Gumbo met daarin twee ex-Toontje Lager-leden, gitarist Gerard de Braconier en drummer Joost Witte. Een groep met op het repertoire cajun uit de Amerikaanse staat Louisiana. Hij was kenner noch liefhebber, maar wilde zijn oud-collega’s wel uit de brand helpen toen hun bassist een optreden was vergeten. “Cajun is heel simpele, beetje rare muziek. Om het goed te kunnen spelen, moet je de melodieën kennen. Die kende ik niet, dus ik kleunde soms flink mis. Maar ik vond het een bijzonder groepje mensen en ben vier jaar blijven plakken.”

Cajun (”toch een beetje ouwemannetjesmuziek”) had echter te weinig met zijn eigen leven te maken, vond hij, om daarvan zo’n groot deel te wijden aan het spelen in een cajunband. Giesen concentreerde zich op film- en televisieactiviteiten, onder meer voor de NPS en de VPRO waar hij bijdragen leverde aan programma’s als Lopende Zaken en Lola da Musica.

Voor laatstgenoemd programma toog hij in 1995 met collega-filmmaker Erik de Bruyn naar Ierland voor een film over rocklegende Phil Lynott. “Echt een coole bassist, niet de kneus die geen gitaar kan spelen”, zegt Giesen over de bassist/zanger van Thin Lizzy, een jeugdheld en de aanleiding om zelf ook de basgitaar ter hand te nemen. “Ja, hij lag goed bij de vrouwen, maar ook bij mij. Als fan was ik bijna verliefd op zijn verschijning: een kruising tussen een Caribische zeerover en een grotere broer die ik nooit had gehad.”

“Je zou kunnen zeggen dat die documentaire het begin van Mondo Leone is,” legt hij uit. “Het is geen rockumentary, maar een verhaal, verteld vanuit het perspectief van een fan. Later heb ik nog zo’n film gemaakt: ‘Zalm en Ik’, over de vis, maar dan meer over het beeld dat je over die vis hebt, waar vervolgens niets van blijkt te kloppen. Nadat ik die gemaakt had, vroeg een vriend waarom ik die filmpjes niet live ging vertonen en daarbij verhalen vertellen.

Even daarvoor al hadden de Vrienden van Amstel-optredens van Toontje Lager Giesens verlangen naar het podium weer aangewakkerd. “Toen ben ik mijn eerste Mondo Leone-filmpje gaan maken: een bewerking van ‘When We Were Kings’, een mooie documentaire over Mohammed Ali. Die heb ik naverteld als een liedje, waarbij, zou je kunnen zeggen, de muzikant in mij de montage deed en de regisseur in mij de muziek maakte.”

Cameraman Marcel Prins werd zijn kompaan en samen maakten ze filmpjes over een Italiaanse kok en zijn liefdevolle bereiding van ravioli, over de levensloop van Giesens Fender Precision-bas en over het zoontje van Prins die tijdens zwemles leert duiken. “Na een half jaar had ik er vier of vijf. Die heb ik toen met twee muzikanten uitgeprobeerd op het Zomerparkfeest in Venlo, om half twaalf ’s avonds in een spiegeltent met iedereen aan het bier. Het werkte als een speer.”

Het filmpje over duiken doet denken aan het werk van Bert Haanstra en past daarmee in de traditie van wat wel bekend staat als de ‘Nederlandse documentaire school’. Maar, zegt Giesen over de vaker gemaakte vergelijking met de succesregisseur. “Bij Haanstra is het iets sociologisch: zo gaan we met onze kinderen om. Eigenlijk identificeert hij zich nooit met het onderwerp dat hij filmt. Hij is iemand die het beschouwt en er commentaar op levert. In míjn films ben ik altíjd dat kind.”

Theater
“Ik wil het best kleinkunst noemen,” zegt hij wanneer het gesprek komt op het benoemen van zijn podiumactiviteiten waarbij muziek, film en verhalen tot een geheel versmelten. “Maar bij kleinkunst moet ik altijd aan Karin Bloemen denken: die speelt voor mijn gevoel in haar liedjes toch vaak een rol. Kleinkunst heeft iets bestudeerds: mensen kunnen bijvoorbeeld iets knap zingen. Daar ben ik helemaal niet mee bezig.”

Het popcircuit en de radio, stelt popliefhebber Giesen -met inmiddels drie Mondo Leone-cd’s alsook eentje met vriend en Rowwen Hčze-voorman Jack Poels op zijn conto - , weten hem niet tot nauwelijks te vinden. “Ik heb twee keer op Noorderslag gestaan en laatst speelde ik op een avond van KX Radio. Op zich heel leuk, maar ik merk dan wel dat ik een beetje anders ben dan die popbandjes. Als die iets tussen de nummers door zeggen, is het iets van ’dan gaan we nu dansen.’ Ik wil graag echt wat zeggen. Dus vertel ik wat, gewoon iets waar ik het over wil hebben. Dat is een fundamenteel verschil.” Af en toe herkent hij een zielsverwant. Loudon Wainwright bijvoorbeeld. “Ik zag Fred Eaglesmith een keer. Geweldig. Beetje cabaretachtig: hele verhalen tussen de nummers door, bijvoorbeeld over dat hij versierd wordt door een man. Daar identificeer ik me misschien dan wel mee.”

De Mondo Leone-voorstellingen zijn inmiddels bewezen succesnummers op het reizend theaterfestival De Parade. Niettemin verklaart Giesen ‘totaal’ maling te hebben aan de conventies van het theatergebeuren. Bij schouwburgoptredens gaat hij gewoon op het podium zitten terwijl de zaallichten nog aan zijn.. “Ik ken de conventies wel. Maar als je ze kent, kun je er mee breken.” Hij heeft daar ook een reden voor, zegt hij: “Ik vind het belangrijk dat het optreden informeel is. Er gaat ook altijd wel iets mis. Doordat ik open en eerlijk ben en ook wat te melden heb, komen de mensen naar mijn gevoel dichterbij. Als ik een rol zou spelen, was er direct al een afstand. Ik vermoed dat mensen bij mij wel eens denken: dat kan ik ook. Iemand zei een keer, en dat vond ik een hele mooie kritiek op mijn tweede cd, ‘als ik het had gekund, had ik die liedjes zelf kunnen schrijven’. Hij bedoelt gewoon dat het allemaal dingen zijn die voor hem ook spelen. Dat is precies waar ik wil zijn. Ik ben net als alle anderen. Alleen kijk ik misschien net iets anders tegen de dingen aan.”

Mondo Leone staat van 20 juni tot en met 17 augustus op De Parade (Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Amsterdam); vanaf oktober nieuwe theatertoer.